Deel dit artikel

Meer zicht op Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED); aanbevelingen voor de praktijk

In de kamerbrief van november 2019[1] wordt omschreven welke wensen er zijn ten aanzien van sturingsinformatie in het jeugdhulpstelsel. Er is behoefte aan meer informatie om goed sturing te kunnen geven aan de jeugdhulp in ons land. Dyslexie, en wel in het bijzonder Ernstige Enkelvoudige Dyslexie, is één van onderwerpen waarover de wens is uitgesproken om meer zicht op te krijgen. De kosten voor diagnostiek en behandeling van Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (aan jeugdigen van 7 t/m 12 jaar) vallen sinds de decentralisatie in 2015 onder verantwoordelijkheid van de gemeenten. De uitgaven van gemeenten aan Ernstige Enkelvoudige Dyslexie (EED) lijken de afgelopen jaren toegenomen te zijn. Echter, “harde” cijfers rondom het aantal doorverwijzingen en de kosten voor EED en variabelen die hierop wel of niet (significant) van invloed zijn ontbreken.

Er werd in november 2019 in de Kamer afgesproken dat er een onderzoek[2] plaats zal gaan vinden wat inzicht moet geven in onder andere de uitgaven van gemeenten aan Enkelvoudige Ernstige Dyslexie (EED). Tevens werd toen vastgesteld dat het onderzoek zich ook zal moeten richten op hoe de poortwachtersfunctie (een deskundige op het gebied van dyslexie) is ingeregeld bij de verschillende (regio)gemeentes en wat de verwijzingspercentages in de dyslexieketen zijn. In deze blog vat ik de resultaten van dit onderzoek samen en vertaal ik de aanbevelingen naar concrete mogelijkheden voor in de praktijk.

Ondanks de beperkte cijfers die gemeenten en samenwerkingsverbanden hebben kunnen aanleveren rondom EED-zorg, komen er uit het onderzoek een aantal opvallende resultaten naar voren waardoor er twee belangrijke aanbevelingen te noemen zijn voor de praktijk; 

  1. Monitoring

Tijdens het onderzoek werd duidelijk dat cijfers over aantallen jeugdigen met EED-zorg zeer beperkt beschikbaar is. Zowel gemeenten als samenwerkingsverbanden blijken onvoldoende zicht te hebben op de gemaakte kosten voor EED-zorg (gemeenten) en het aantal jeugdigen dat EED-zorg ontvangt (gemeenten en samenwerkingsverbanden).  

De eerste aanbeveling is dan ook dat er meer gemonitord dient te gaan worden om zicht te krijgen én houden op de omvang van de groep leerlingen die met een vermoeden van EED wordt doorverwezen en op de omvang van de groep met EED-zorg. Dit dient volgens de onderzoeker niet alleen te gebeuren op het niveau van (regio)gemeenten maar ook op het niveau van de (afzonderlijke) scholen. Op deze manier kan informatie verkregen worden over opvallende percentages op scholen en kan er gericht gestuurd worden op bijvoorbeeld het verbeteren van de ondersteuning van scholen bij lees- en/of spellingsproblemen.

Het onderzoek concludeert dat er op dit moment te weinig zicht is op deze aantallen en kosten. Ik vermoed dat dit zicht deels ook ontbreekt door het onvoldoende gebruik maken van de reeds beschikbare data, bij bijvoorbeeld gemeenten. Zo hebben nagenoeg alle gemeenten informatie over de aantallen en jeugdhulpkosten rondom EED-zorg vanuit het administratieve systeem wat ze gebruiken om de beschikte en gefactureerde zorg in bij te houden. Tevens beschikken gemeenten over informatie over welke jeugdige op welke school onderwijs volgt. Deze data is beschikbaar bij de Regionale Bureaus Leerplicht (RBL), welke ook onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten vallen.      

Deze twee databronnen gecombineerd geeft antwoord op de vraag welk percentage leerlingen krijgt EED-zorg op de afzonderlijke scholen. En dus ook op de vraag; waar dienen we interventies in te zetten om het lees- en spellingsonderwijs te verbeteren en het aantal EED-verwijzingen te verminderen? Voor meer informatie over het koppelen van verschillende databronnen om de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp te verbeteren, verwijs ik je graag naar deze recent verschenen whitepaper.

2. Verbeteren samenwerking onderwijs en gemeente

Een tweede aanbeveling komt naar voren wanneer gekeken wordt naar voorspellende variabelen voor het aantal aanmeldingen voor EED-zorg (A) en het percentage kinderen dat EED-zorg ontvangt (B). Voor beiden (A en B) geldt dat er slechts één variabele wordt gevonden welke een significante invloed heeft:

  1. Er wordt een significant verband gevonden tussen het laten verlopen van de toegang tot EED-zorg via een poortwachter en het percentage jeugdigen dat door scholen wordt aangemeld voor diagnostiek in verband met een vermoeden van EED.  Wanneer de toegang via een poortwachter verloopt is het percentage leerlingen dat wordt aangemeld voor EED-diagnostiek significant lager dan in gemeenten waar dat niet gebeurt.
  2. Tevens wordt er een significant verband gevonden tussen het antwoord op de vraag of er samenwerking is tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden en schoolbesturen welke gericht is op het verbeteren van het leesonderwijs en/of het verminderen van dyslexie en het percentage jeugdigen dat is toegelaten tot vergoede behandeling bij een dyslexie-aanbieder. Als de bovengenoemde samenwerking er is, dan is het percentage jeugdigen dat EED-zorg ontvangt, gemiddeld lager.

Oftewel; verbeter de samenwerking tussen gemeenten, samenwerkingsverbanden en schoolbesturen:

  1. Door als gemeenten, samenwerkingsverbanden en schoolbesturen met elkaar om tafel te gaan om gezamenlijk en preventief beleid op te stellen om het leesonderwijs te verbeteren en dyslexie te verminderen.
  2. Door een poortwachter in te zetten welke niet alleen de taak heeft om dossiers kritisch te screenen (voor gemeenten) maar die ook de taak heeft om een bijdrage te leveren aan de verbetering van het lees- en spellingsonderwijs op scholen.

Deze laatste aanbeveling sluit aan bij één van de ervaren knelpunten die naar voren komt uit de verkennende analyse in het kader van het ontwikkelen van een brede vakinhoudelijke richtlijn dyslexie[3]. Professionals in het onderwijs geven aan dat zij over onvoldoende kennis en/of middelen beschikken om zorgniveau 3 (specifieke interventies uitgevoerd en/of ondersteund door de zorgspecialist in de school) uit het onderwijsprotocol vorm te geven. Hier is mogelijk een rol weggelegd voor de poortwachters, aangezien zij casuïstiek onder ogen krijgen welke concrete aanbevelingen kan opleveren voor de praktijk. Zo kunnen zij scholen ondersteunen bij het optimaliseren van hun lees- en spellingsonderwijs.  

Al met al kunnen we volgens mij concluderen dat de wens die door de kamer is uitgesproken om meer zicht te krijgen op EED, haalbaar is door samen te gaan werken op bovengenoemde punten.  Met het nieuwe schooljaar net gestart is het een mooi moment om hier concreet handen en voeten aan te gaan geven.


[1] Verkenning beleidsinformatie jeugd om beter te kunnen sturen. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2019/11/07/verkenning-beleidsinformatie-jeugd-om-beter-te-kunnen-sturen

[2] Beleid en ontwikkelingen bij ernstige enkelvoudige dyslexie. KBA Nijmegen. https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2020/06/17/beleid-en-ontwikkelingen-bij-ernstige-enkelvoudige-dyslexie

[3] Opbrengst eerste fase ontwikkeling brede vakinhoudelijke richtlijn dyslexie. https://www.nkd.nl/app/uploads/2018/06/Opbrengst-eerste-fase-ontwikkeling-brede-vakinhoudelijke-richtlijn-dyslexie.pdf