De Week van de Pleegzorg staat weer voor de deur. Van 28 oktober t/m 4 november wordt landelijk en door veel stakeholders in het jeugddomein aandacht besteed aan deze belangrijke vorm van jeugdhulp. Inzet van pleegzorg past binnen de beweging om jeugdigen zo thuis mogelijk te laten opgroeien. Het liefst voorkomen we uithuisplaatsing: inzet van specialistische systeemgerichte ambulante hulp of informele gezinsondersteuning kan hieraan bijdragen. In sommige gevallen is uithuisplaatsing niet te voorkomen. In die gevallen is het belangrijk dat een jeugdige zo gezinsgericht mogelijk kan opgroeien. Pleegzorg en gezinshuizen kunnen een alternatief vormen voor residentiële instellingen.

Inhoudelijk zijn de stakeholders in het jeugddomein het  er veelal over eens dat dit een gewenste ontwikkeling is. Het monitoren van deze inhoudelijke ontwikkeling met behulp van data, blijkt in de praktijk een lastigere opgave. Waar haal je als wethouder, programmamanager, projectleider, beleidsmedewerker of verwijzer bruikbare informatie over dit onderwerp vandaan? Ik geef in deze blog zes praktische tips.

  1. Maak een businesscase om de beweging van residentiële zorg naar gezinshuizen en pleegzorg ook financieel te onderbouwen.
    Breng in kaart wat een gemiddelde plaatsing in residentieel verblijf, een gezinshuis en pleegzorg kost in jouw regio of gemeente. Corrigeer hierbij voor gezinshuiszorg en pleegzorg voor de extra ambulante zorg die kan worden ingezet. Breng de huidige en gewenste aantallen per zorgvorm in kaart en bereken de potentiële besparing die hiermee gemoeid gaat. Dit creëert (bestuurlijk) draagvlak voor jouw beleid en/of project.

  2. Breng de locaties van gezinshuizen in je gemeente of regio in kaart en deel deze gegevens met de verwijzers en het expertiseteam.
    ‘Meer gezinshuizen in onze gemeente of regio’ is een veelgehoorde doelstelling. In de praktijk weet men veelal wel welke aanbieders gezinshuiszorg bieden, maar verdere details ontbreken. Informatie over waar de gezinshuizen zich bevinden, welke doelgroep zij opvangen, het aantal plekken en het type gezinshuis (loondienst, franchise of zelfstandig) is belangrijk voor zowel verwijzers als beleid. Voor verwijzers om tijdig een passende plek te vinden voor de jeugdige. Voor beleid om de doelstelling ‘meer gezinshuizen’ te kunnen kwantificeren en specificeren.

  3. Breng het gebruik van pleegzorg in je gemeente of regio in kaart op basis van het berichtenverkeer.
    Zet deze gegevens af per 1.000 jeugdigen en maak met deze cijfers de verschillen tussen gemeenten inzichtelijk. Welke gemeente zet pleegzorg relatief gezien het meest in? Zijn er verschillen tussen de lokale teams? Verschilt het verwijsgedrag naar bepaalde aanbieders of soorten pleegzorg (voltijd, deeltijd, crisis) per team? Maak de uitkomsten bespreekbaar. Dit zorgt voor interessante inhoudelijke discussies en voor een lerend effect.

  4. Doe onderzoek naar de effectiviteit van systeemgerichte ambulante interventies.
    Systeemgerichte ambulante interventies worden vaak genoemd als mogelijkheid om uithuisplaatsing te kunnen voorkomen. Het is belangrijk met behulp van data in kaart te brengen in welke mate deze interventies dit doel inderdaad bereiken. Volgt na systeemgerichte ambulante hulp geen uithuisplaatsing meer? Verschillen deze gegevens per type interventie, aanbieder, lokaal team, of leeftijdscategorie van de jeugdigen? In veel gevallen doen zorgaanbieders zelf ook effectiviteitsonderzoek. Een gemeente of regio heeft echter een unieke informatiepositie om een dergelijk onderzoek goed uit te kunnen voeren omdat zij vanuit het berichtenverkeer het gehele zorgpad (ook bij andere aanbieders) in kaart kunnen brengen, mits een jongere niet verhuist naar een andere gemeente. Met behulp van een onderzoek naar gezinsgerichte interventies kan een regio of gemeenten gerichter samenwerken met de aanbieders om deze interventies te versterken.

  5. Breng het aanbod van informele gezinsondersteuning en de potentiële bijdrage aan het vraagstuk in kaart.
    Diverse initiatieven in de informele sfeer zijn gericht op ondersteuning aan het gezin. Deze inzet kan bijdragen aan het voorkomen van uithuisplaatsingen, de kans op een breakdown gedurende een uithuisplaatsing verkleinen, of terugplaatsing naar huis bevorderen. In de praktijk is het aanbod in de regio vaak onvoldoende bekend bij zowel beleid als uitvoering. Meer samenwerking tussen informele en formele zorg heeft niet alleen inhoudelijk effect in het gezin, maar zorgt er ook voor dat het besparingseffect van inzet van informele zorg wordt vergroot.

  6. Stel KPI’s op om de ontwikkelingen op dit thema meerjarig te kunnen volgen en richt hiervoor een dashboard in.
    Op deze manier kunnen beleids- en projectresultaten structureel gemonitord worden, en dienen zich concrete mogelijkheden aan om bij te sturen. Win-win! Denk bijvoorbeeld aan KPI’s als het aantal jongeren in residentieel verblijf per jaar (gebruik), het aantal plekken in pleegzorg en gezinshuizen (aanbod) en de totale verblijfskosten (pleegzorg, gezinshuizen en residentieel) per jaar.

En als we dan toch bezig zijn met het structureel monitoren, laten we er dan ook voor zorgen dat dit belangrijke onderwerp niet alleen in de week van de pleegzorg maar structureel aandacht krijgt!

Deel via
Auteur

Inez van de Wiel